Menu

Johan Mekking, de mens, de tijd, de schilder

Auteur: Johan van der Woude
Pagina’s: 160, met 61 reproductie van schilderijen, documenten en foto’s, 12 in kleur.
Uitgever: Walburgpers, Zutphen, onder auspiciën van de Stichting De Gelderse Bloem, 1974
ISBN 906011.182.6
Uitvoering: gebonden

De schrijver Johan van der Woude gaat in hoofdstukken in op de levensfases van Johan Mekking (1904- 1991). Zijn ouders en kinderjaren komen uitvoerig aan bod, met de invloed van de meubelmakerij van zijn vader, waar hij aanvankelijk ook werkte. Op school wilde het niet goed lukken, alleen tekenen deed hij graag. Door de padvinderij kwam hij in contact met jongens uit andere kringen dan zijn strenge sobere familie. Met twee vrienden zwierf hij door de bossen, deed ook mee aan toneel. Tekenonderwijs en vrije schilderkunst kreeg hij op ‘Kunstoefening’ in Arnhem bij Gerard van Lerven. In 1930 haalde hij er de middelbare akte in Hand- en Decoratieftekenen aan lagere en middelbare Nijverheidsscholen. Bij Kunstoefening leerde hij Dick Ket kennen als medeleerling, en zij werden vrienden voor het leven.
Hij kon ’s avonds lesgeven in Zutphen, bleef wonen in Velp in het ateliertje naast zijn ouders. Om als vrij kunstenaar te kunnen bestaan was hij in 1926 lid geworden van het Genootschap ‘Artibus Sacrum’, dat tentoonstellingen organiseerde voor eigentijdse kunstenaars. In 1938 werd hij secretaris, en kon een atelier maken op de verdieping in de Korenbeurs, waar de tentoonstellingen werden gehouden. Tot in 1941 de bezetter eiste dat men lid werd van de ‘Kultuurkamer’. Dat weigerde men, bovendien werd de Korenbeurs toen oefenruimte voor het Arnhems Orkest. Artibus Sacrum ging in slapende toestand.
Op 5 mei 1945 kregen hij en Hendrik Valk een toegangsbewijs tot de kapotgeschoten stad Arnhem om er ruïnes te tekenen en te schilderen. In zijn atelier bovenin de gespaard gebleven Korenbeurs kon hij weer terecht. De benedenruimte werd gebruikt voor opslag van Amerikaans meel, exposeren was daar niet mogelijk. Er kwamen een paar leerlingen en wat opdrachten. Zo kon hij in juli op 40-jarige leeftijd met Miep van den Brink trouwen.
In 1946 werd de Vereniging voor Beeldende Kunst Arnhem opgericht, deze nam de functie van Artibus Sacrum over. Men kon tijdens vakanties exposeren in Kunstoefening. Mekking werd weer secretaris, en had daardoor ook invloed op de in te richten tentoonstellingen.
In 1950 kreeg hij de mogelijkheid om restauratiemedewerker te worden bij het Gemeentemuseum in Arnhem. Dat was een tijdelijke en parttime aanstelling, zodat hij kon blijven schilderen. In hetzelfde jaar schonk hij het museum zijn portret door Dick Ket geschilderd, en portretteerde hij de langstzittende (1918-1946) directeur Van Erven Dorens. In 1952 vertrok hij en trachtte weer van schilderen te leven. In 1954 keerde hij er terug, vanaf 1956 in vaste dienst. Zo werd hij verantwoordelijk voor de tentoonstellingen, publicaties en restauraties, meer dan een dagtaak. In 1965 werd hij waarnemend directeur en tenslotte in 1968 directeur voor een klein jaar tot zijn pensioen. In die tijd heeft hij 24 tentoonstellingen georganiseerd.
Het museum richtte zich al veel eerder op eigentijdse kunst. Op zijn advies werd er een aankoopbeleid geformuleerd, om zich als museum te profileren. Zo werd de kleine collectie van Dick Ket en hemzelf uitgebreid met werk van geestverwanten zoals Schumacher, Carel Willink, Fernhout, Raoul Hynckes, Pyke Koch en anderen. Nu bezit het museum de belangrijkste neo- en magisch realistische collectie in het land.

Door zijn drukke werkzaamheden voor het museum kwam het schilderen nogal in het gedrang, wat hem frustreerde. Af en toe nam hij nog wel opdrachten aan. Tegelijk kan men zeggen dat hij dankzij deze positie in zijn vrije tijd kon schilderen wat hij wilde zonder angst voor armoede. In de jaren dat hij er tijd voor had, bracht hij vakanties al kamperend, tekenend en schilderend door. Na zijn werk in het museum had hij tijd om te reizen, o.a. naar Italië.
Zijn vrije werk bevat vooral stillevens en portretten, realistisch, bezield en verstild. Ook zijn landschappen en straatjes beschouwde hij als stillevens. Hij werkte er vaak lang aan door. De portretten kijken met een strakke blik, vooral die van hemzelf en zijn ouders. Aan de portretten, ook die in opdracht, voegde hij typerende elementen toe waardoor het meer werd dan een portret alleen. Hij ontwikkelde een neo-realistische stijl, verwant aan die van Dick Ket en Floris Verster. Daarnaast heeft hij toegepaste kunst ontworpen en gemaakt, zoals glas-in-loodramen.

Achterin staat een met jaartallen ingedeelde biografie, en dito oeuvrelijst.