Menu

Museum Arnhem, Stromingen langs de Rijn

  • Specificaties:
    • Redactie: Ype Koopmans
    • Auteurs: Hartogh Heys van de Lier, Liesbeth Brandt Corstius, A.G. Schulte, J.R. de Groot, Gerard van der Hoek, Liesbeth Tibbe, Din Pieters.
    • Aantal pagina’s: 224
    • Uitgave: Gemeentemusea Arnhem, 1995
    • Illustraties: 105 afbeeldingen, zowel kleur als zwart-wit.
    • ISBN: 90-72861-17-15
    • Taal: Nederlands
    • Uitvoering: paperback, geplakt maar met genaaide katernen

      Verschenen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in het Gemeentemuseum Arnhem, 9 december 1995 – 25 februari 1996.

Naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van het gemeentemuseum Arnhem wordt hier de geschiedenis en ook de voorgeschiedenis van het gemeentemuseum beschreven.
Een archeologische en volkenkundige collectie en antieke voorwerpen vormden de aanvankelijke basis. Het omvangrijke legaat van Alexander Verhuell dat in 1897 de gemeente Arnhem toekwam, was bedoeld voor de inrichting van een gemeentelijk museum. Rond 1900 was sprake van nieuwbouwplannen, maar de knoop was nog niet doorgehakt, toen in 1912 de Heerensocieteit door de gemeente kon worden aangekocht. In 1917 werd begonnen met het overbrengen van de collectie, maar een deel van het gebouw was in gebruik als gaarkeuken voor de voedselvoorziening. In 1920 kon het museum worden geopend. August van Erven Dorens werd de eerste directeur en bleef dat tot 1946. De verbouwingen worden beschreven, de oorlogsjaren, de eisen van de bezetter en het herstel na de bevrijding.
De uitbreiding met de nieuwe vleugel, geopend in 1956, kwam tot stand door de ambitieuze directeur De Lorm. Hij had o.a. de Arnhemse kunstenaar Johan Mekking aangenomen, aanvankelijk als technisch medewerker. De Lorm was vooral de man die naar buiten optrad. Met nog heel weinig personeel werd Mekkink steeds meer verantwoordelijk voor de vele werkzaamheden zoals de tentoonstellingen en publicaties. Deze adviseerde om door gericht aankoopbeleid de kleine collectie neo- en magische realisten uit te breiden, bij voorkeur uit de regio. Mekkink verving de directeur al lang bij zijn afwezigheid en werd ondanks zijn bescheidenheid in 1968 zelf directeur tot zijn pensioen in 1969.
Naast Mekkink was ook de kunstenares ‘Rietje’ Neerincks destijds aangenomen, als directiesecretaresse. Zij heeft zich door vacatures kunnen bezighouden met de afdeling Toegepaste kunst, werd daarvan tenslotte conservator en organiseerde meer dan honderd tentoonstellingen over kunstnijverheid, van antieke wandtapijten tot eigentijds ceramiek.
Met de (van het TV-programma Kunstgrepen) alom bekende Pierre Janssen als directeur(1969-82) werd het museum een open huis voor de mensen. Het beleid werd onderdeel van de maatschappelijke discussies in die tijd. Het elitaire moest eraf en het moest recht doen aan de culturele pluriformiteit van de bevolking, met educatieve activiteiten gericht op zelfontplooing. De vele tentoonstellingen waren gevarieerd, vooral eigentijdse figuratieven met het accent op de regio.
Door de eerste vrouwelijke museumdirecteur Liesbeth Brandt Corstius kwam vanaf 1982 meer aandacht voor vrouwelijke kunstenaars. Zij was medeoprichtster van de Stichting Vrouwen in de Beeldende kunst en heeft met haar hartelijke verschijning in dertien jaar tijd een omslag teweeggebracht in het denken over vrouwelijke kunstenaars van uitzonderlijk tot iets normaals.
Ook de internationale beeldententoonstelling in Park Sonsbeek werd door haar toedoen nieuw leven ingeblazen.
In de 80er jaren volgde een omslag in het kunstbeleid van de overheid van ‘welzijn’ naar ‘kwaliteit’. Na de afschaffing in 1987 van de BKR-regeling voor algemene ondersteuning van kunstenaars kwam er geld vrij voor individuele beurzen en voor kunstaankoop van musea. Het personeel werd professioneler, met meer deeltijdbanen.
Het tentoonstellingsbeleid werd meer en meer beïnvloed door bezoekersaantallen, moest ambitieuzer en communicatiever, niet meer regionaal maar internationaal. Zo moest men meer beroep doen op sponsoring.
Commercie werd OK. Toegepaste kunst kreeg een eigen plek in het museum, met name sieraden en ceramiek.

In 1995 verscheen de nota Museum 2000: Het Gemeentemuseum zal worden gesplitst in een Museum voor Moderne Kunst en een Historisch museum. Het laatste komt medio ’96 in het gerestaureerde Burgerweeshuis.
Ook na de splitsing is er niet voldoende ruimte voor het depot en de tentoonstellingen. Het beschikbare tentoonstellingsbudget is bovendien al jaren ontoereikend. Uitbreiding of nieuwbouw? Uitbreiding van het oude gebouw heeft de voorkeur vanwege de mooie locatie en de beeldentuin.

Volgt een overzicht met foto’s van alle tentoonstellingen door de jaren heen, en een lijst van tentoonstellingen met jaartallen (tot 1995)