Menu

De Schilders van de Veluwezoom

Collectie nummer 0096 Th. E.A. de Bock
Wit huisje aan een weg in het bos

Oosterbeek is, samen met Wolfheze, de oudste schilders kolonie in Nederland.
Het fantastische landschap van de zuidelijke Veluwezoom met zijn bossen en weilanden, beken, sprengen en vennen, eeuwenoude eiken en de heuvels van de stuwwal, was vele decennialang een bron van inspiratie voor een groot aantal kunstenaars.
De frisheid van gras, de geur van bladeren, de vochtigheid van de lucht, waren elementen die de schilders op het doek wilden brengen. Anders geformuleerd: zij wilden stemming, atmosfeer, warmte, geur, licht en donker schilderen.
Zo wekten zij de illusie dat de kijker zich in een heus landschap bevond.
De schilders voelden zich primair op sociaal-culturele gronden verwant. Ze zochten de sfeer van een kunstenaarsdorp in een uitdagende natuur, maar ook de intimiteit van kroegen en logementen waar zij elkaar opzochten en hun werk bespraken.

In 1841 komen de schilders Johannes Warnardus Bilders en Frederik Hendrik Hendriks in Oosterbeek wonen om daar in de natuur te kunnen werken en studeren.
Beiden omringen zich met een aantal leerlingen en dit trekt ook andere schilders aan, met name uit het westen van het land.
Het dorp Oosterbeek kan daardoor gerekend worden tot de vroegste kunstenaarsdorpen van ons land.
Het gevarieerde landschap en het bijzondere natuurschoon van Oosterbeek en Wolfheze maakt dat deze streek erg geliefd was bij deze kleine groep kunstschilders.

J.W.Bilders
De naam en faam van Oosterbeek breidt zich vooral uit met de komst van Johannes Warnardus Bilders.
Hij heeft een grote aantrekkingskracht op een jonge generatie schilders, die onder invloed van het Franse Barbizon de ateliers verlaten.
Buiten schilderen, “en plein-air”, is de nieuwe trend. In weer en wind de confrontatie met de natuur aangaan en deze in impressies vastleggen.
Voor kortere of langere perioden verbleven ze – vooral ’s zomers – hier onder anderen Willem Roelofs, Anton Mauve, de drie gebroeders Maris, Paul, Gabriël en Johannes de Haas.
Zij schilderden veel in Wolfheze waarbij de Wodanseiken, de beken die door het gebied stromen en de glooiende heide van Laag Wolfheze geliefde onderwerpen waren.

Collectie nummer 0454 F.H. Hendriks
Landschap met twee figuren en ezel

F.H. Hendriks
Frederik Hendrik Hendriks omringt zich met leerlingen als Jacob Cremer, Petrus Oerder en Marinus Harting.
Samen met hen ontdekt hij al tekenend en schetsend de mooie omgeving van Oosterbeek en Wolfheze.
Met name Wolfheze trekt Hendriks erg aan en veel van zijn schilderijen hebben de natuur van Wolfheze tot onderwerp. Hieraan dankt hij dan ook zijn naam de ’Meester van Wolfheze’.

0091.jpg A.G. Bilders

Tegelijkertijd ontwikkelt het dorp Oosterbeek zich tot geliefd oord van gegoede families uit het westen van het land, die buitenplaatsen kopen of laten bouwen.
Zo koopt Jan Kneppelhout in 1848 het landgoed met landhuis “De Hemelsche Berg”.
Deze families faciliteren de kunstschilders met materiaal en kochten hun werken aan. Jan Kneppelhout toont zich in deze een ware beschermheer van de kunstenaars en financiert de studie van Gerard Bilders, de zoon van Johannes Warnardus.
Niet alleen schilders streken neer in en rond Oosterbeek en Wolfheze maar ook schrijvers en musici.

De Oosterbeekse kunstenaarskolonie heeft slechts enkele tientallen jaren van bloei gekend. Mede door het aanleggen van de spoorlijn naar Arnhem werd de Veluwezoom ontsloten en verdween de rust en stilte. In 1870 hadden de meeste van deze schilders zich inmiddels in Den Haag gevestigd. Daar vond de ontwikkeling tot het Nederlandse Impressionisme verder plaats. Deze stroming kreeg de benaming “Haagse School”.

De belangstelling voor het landschap rond Oosterbeek verflauwde echter niet. Na 1900 vestigden zich er opnieuw een aantal landschapschilders, nu vooral in het dorp Renkum. De uitwerking in hun oeuvre was heel verschillend.
Op 1 mei 1902 werd in Renkum de kunstvereniging Pictura Veluvensis opgericht.
Men wilde de belangstelling voor de kunst bevorderen, de samenwerking van de in Renkum en Heelsum wonende kunstenaars stimuleren.
De belangrijkste activiteit van Pictura Veluvensis was de jaarlijkse tentoonstelling van werk van leden en genodigde kunstenaars, vaak zo’n honderd werken groot.
De exposities waren twee tot drie weken dagelijks geopend.
Tal van leden van de Haagse School, kunstenaars uit Bergen en Laren, Amsterdamse Joffers hebben als invités meegedaan aan de exposities. 
Pictura Veluvensis is een bloeiende vereniging geweest van de oprichting af tot de economische crisis van 1929.
Tot deze groep behoorden schilders als Théophile de Bock, Xeno Münninghoff , Charles Dankmeijer, Hendrikus Alexander van Ingen, Cornelis Kuypers en Barend Ferwerda.
In 1935 is de vereniging officieel opgeheven. 

In kunsthistorisch opzicht kan Pictura het best getypeerd worden als een exponent van de nabloei van de Haagse School.
Bij de Pictura-schilders blijft de keuze voor het landschap domineren, al gaat het vaker om verbeelding van bossen en boompartijen en minder om weiden en uiterwaarden. Ook brachten zij meer kleur aan op hun doeken.
Andere Pictura-exposanten richten zich op stillevens of reisimpressies.  

Na de tweede wereldoorlog kwam het culturele leven in de gemeente Renkum weer langzaam op gang. In 1955 werd de kunstenaarsvereniging Rhijn-Ouwe opgericht op initiatief van de Oosterbeekse kunstschilder Herman Romijn. Leden waren onder anderen de kunstschilders Harry Antheunis, Jan Holtrop, Tilly Münninghoff-van Vliet, Elisabeth Roest van Limburg, Piet van Mierop en Jan Teerink. De keramisten Jan van Stolk en Jaap Dommisse. De beeldhouwers Marius van Beek en Ubbo Scheffer en de graficus Cor van der Woerd.